Nieuws

FLITS : Vlarem-trein 2015 in aantocht

 

Opnieuw staat er een “ontwerpbesluit” tot wijziging van onder andere de VLAREM II - milieuwetgeving op stapel, genaamd de “VLAREM-trein 2015”. Ook het VLAREL wordt in belangrijke mate gewijzigd door dit voorontwerp van voorliggend Besluit.
Daarnaast staat er ook een ontwerp van wijzigingsbesluit van VLAREM III op stapel.

Met dit ontwerp van wijzigingsbesluit worden aan VLAREM III de bijkomende sectorale milieuvoorwaarden toegevoegd voor de volgende GPBV-installaties:

a. het looien van huiden en vellen;

b. de productie van cement-, kalk- en magnesiumoxide;

c. de productie van chlooralkali.

 

Sinds de VLAREM-trein 2011 wordt er bij elke VLAREM-wijziging werk van gemaakt om de laatste nieuwe BBT-studies telkens systematisch te vertalen naar het VLAREM. Met onderhavige VLAREM-wijziging gebeurt dit voor de volgende Vlaamse BBT-studies:

a. voor de verf-, lak-, drukinkt- en lijmproductie: hiertoe worden artikel 5.4.2.3, §2, 5.59.3.2,§2 en bijlage 5.3.2 van VLAREM II aangepast;
b. voor de grafische sector: hiertoe worden artikel 5.11.0.5, §2, en bijlage 5.3.2 van VLAREM II aangepast;
c. voor de asfaltcentrales: hiertoe worden artikel 5.30.2.2, §1, en 5.30.2.3 van VLAREM II
d. voor de verwerking van externe bedrijfsafvalwaters en vloeibare/slibachtige bedrijfs-afvalstromen: hiertoe wordt een nieuwe subafdeling 5.2.2.9.bis ingevoegd in VLAREM II.

 

Ook worden de volgende besluiten van de Vlaamse Regering met dit besluit gewijzigd:

  • het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater (Stooktoestellenbesluit);
  • het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Milieuhandhavingsbesluit);
  • het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA);
  • het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 tot wijziging van diverse Besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en aan de CLP-verordening (VLAREM-trein 2013).

 

Hieronder een opsomming van een aantal wijzigingen uit dit ontwerpbesluit.

 

Wijzigingen aan het VLAREL

Het VLAREL bevat tot op heden de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, uitgezonderd de 13 erkenningen (= technici, examencentra, bedrijven en keuringsinstellingen) die te maken hebben met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen. Deze erkenningen zitten momenteel nog vervat in afzonderlijke Vlaamse Besluiten.

De erkenningen uit deze voornoemde besluiten van de Vlaamse Regering werden geëvalueerd en bijgestuurd waar nodig en worden met voorliggend besluit in het VLAREL geïntegreerd, rekening houdend met de structuur van VLAREL en de nieuwe verordening (EU) nr. 517/2014.  Deze verordening bepaalt dat voor bepaalde werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen een certificaat vereist is.

 

De definitie van “gebruik van de erkenning” wordt uitgebreid en verduidelijkt. Ook het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden (zoals bijvoorbeeld een installatie of het uitvoeren van een onderhoud aan of een lekkagecontrole van een koelinstallatie) of het keuren van een koeltechnisch bedrijf door een erkende keuringsinstelling) vallen onder de definitie van “gebruik van de erkenning”.

 

Ten opzichte van verordening (EG) nr. 842/2006 vallen met verordening (EU) nr. 517/2014 sinds 1 januari 2015 de volgende werkzaamheden bijkomend onder de erkenningsverplichting:

a) de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties en brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen,

b) de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens en van elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen,

c) de lekkagecontroles van koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens met gefluoreerde broeikasgassen,

d) de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit de koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens met gefluoreerde broeikasgassen.

 

Deze bijkomende werkzaamheden worden onder de erkenningsverplichting in VLAREM II en het VLAREL opgenomen met uitzondering van de koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens. Voor dit laatste zou door de Europese Commissie in 2015 gewerkt worden aan een “dochterverordening” met meer details over de praktische invulling van de certificering zoals bijvoorbeeld de inhoud van het examen en wordt de uitwerking van de erkenning in VLAREM II en het VLAREL voorlopig uitgesteld.

 

Tot nu toe lag de verplichting voor het registreren van een aantal gegevens over de uitgevoerde werkzaamheden aan een koelinstallatie bij het koeltechnische bedrijf. Uit de praktijk is gebleken dat het correct registreren van deze gegevens een gedeelde verantwoordelijkheid is, namelijk van zowel de koeltechnicus als het koeltechnische bedrijf. Met de voorgestelde wijziging wordt nu ook aan de koeltechnicus opgelegd dat hij een aantal gegevens correct moet registreren en aan de eigenaar of beheerder van de koelinstallatie moet bezorgen.

De frequentie om koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op lekken te controleren is vanaf 1 januari 2015 niet alleen meer gebaseerd op de hoeveelheid koelmiddel in een koelinstallatie maar ook op het soort koelmiddel dat gebruikt wordt. Aan een gefluoreerd broeikasgas wordt namelijk een GWP-waarde gekoppeld, waarbij GWP staat voor Global Warming Potential, zijnde het potentieel om de aarde op te warmen (zie milieuflits oktober 2014).

 

Verder wordt met dit besluit de nieuwe erkenning van MER-coördinator, voorzien in titel IV van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid, in het VLAREL ingevoerd. Tot op heden werd de erkenning als MER-coördinator niet ingevoerd en werd een MER-coördinator gekozen uit het team van MER-deskundigen dat het MER opstelt.

De erkenning als MER-coördinator wordt nu geïntegreerd in het VLAREL.

Het opnemen van de erkenning als MER-coördinator in het VLAREL biedt ook de schorsings-, opheffings- en handhavingsinstrumenten die in dit besluit voorzien zijn.

Door de integratie van de erkenning als MER-coördinator in het VLAREL worden er objectieve erkenningsvoorwaarden gekoppeld aan deze erkenning.  Daarnaast moet een MER-coördinator in staat zijn het team van erkend MER-deskundigen aan te sturen zoals een manager. Zo wordt er ook gevraagd dat een MER-coördinator over minstens drie jaar recente praktische ervaring beschikt met betrekking tot het meewerken aan het coördineren van MER’s.

De voorwaarde dat een MER-coördinator een erkend MER-deskundige moet zijn, is niet langer noodzakelijk.  Daarnaast kunnen ook nog niet erkende medewerkers die geen specialisten zijn in een specifieke discipline maar die wel zeer veel ervaring hebben met het uitvoeren van de taken van een MER-coördinator en de algemene MER-procedure de kans krijgen om zich te laten erkennen en zo deel uit te maken van de nieuwe generatie van erkende MER-coördinatoren.

 

In het VLAREL wordt een paragraaf toegevoegd waarin opgesomd wordt in welke gevallen de erkende milieucoördinator zijn erkenning niet mag gebruiken in het kader van objectiviteit en onafhankelijkheid. De objectiviteit en onafhankelijkheid worden vanaf nu niet meer in detail als algemene gebruikseis maar als bijzondere gebruikseis opgenomen.

 

In het VLAREL worden een aantal artikels gewijzigd m.b.t. de erkenning van bodemsaneringsdeskundigen zoals het volgen van bijscholing, bijzondere gebruikseisen van de erkenning, erkende opleidingscentra, … .

 

Wijzigingen aan VLAREM II

De definitie van het nominaal koelvermogen wordt gewijzigd omdat onder de huidige definitie een gebouw dat door meerdere individuele installaties van elk minder dan 12 kW gekoeld wordt niet onder de keuringsverplichting valt. Nochtans is voor de koeling van deze gebouwen evenveel, of zelfs meer energie nodig door de vaak lagere energie-efficiëntie van deze individuele installaties of door de beperktere regeling van deze installaties.

De definitie van het nominaal koelvermogen wordt aangepast en wordt bepaald op basis van alle bestanddelen van het airconditioningsysteem binnen een gebouw. Op deze manier kunnen exploitanten bij de installatie van een nieuw airconditioningsysteem de keuringsverplichting ook niet meer ontwijken door voor meerdere individuele installaties te opteren, die bovendien vaak minder energie-efficiënt zijn.

 

Een duurzaam materialenbeheer wordt verankerd. Hiertoe wordt een nieuw hoofdstuk 4.11. toegevoegd inzake een duurzaam beheer van materialen en afvalstoffen. De huidige bepalingen van afdeling 4.1.6 die betrekking hebben op het duurzaam beheer van materialen en afvalstoffen worden verplaatst naar dit nieuwe hoofdstuk en worden daarbij aangevuld met nieuwe bepalingen om een duurzaam beheer van materialen en afvalstoffen te faciliteren. Bijkomende bepalingen voor de voorlopige opslag van afvalstoffen, met inbegrip van bepalingen voor gevaarlijke afvalstoffen die voorheen als gevaarlijke producten conform de CLP-verordening waren ingedeeld, worden mee opgenomen.

 

Op vraag van de afdeling Milieu-inspectie wordt ook een regeling getroffen voor kleine debieten koelwater van < 100 m³/uur. Bedoeling is om gemakkelijker een monster te kunnen nemen via een ordelijk en toegankelijk putje.

 

De toepassing van een referentiezuurstofgehalte van 18 % bij gebruik van naverbranders wordt gewijzigd. De huidige stand van de techniek (vnl. recuperatieve of regeneratieve thermische oxidatie) leidt er toe dat deze bepaling achterhaald is. De werkelijk gemeten zuurstofpercentages bij deze naverbranders liggen immers meestal hoger, zonder dat het hier een moedwillige verdunning van de emissie zou betreffen die tot doel heeft om de concentraties aan verontreinigende stoffen te verlagen.

Deze bepaling wordt bijgevolg geschrapt. Hierdoor gelden de emissiegrenswaarden voor naverbranders bij gemeten zuurstofgehalte, tenzij hiervoor andersluidende bepalingen in de sectorale voorwaarden zijn opgenomen.

 

De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt tot 30 juni 2017 uitgevoerd conform een code van goede praktijk. Vanaf 1 juli 2017 dienen de CEN-normen toegepast te worden. In de herziene Vlaamse code van goede praktijk voor kwaliteitsborging van vast opgestelde emissiemeettoestellen (2014) zijn bijkomende bepalingen opgenomen, aanvullend aan de CEN-normen. Deze dienen tevens toegepast te worden.

 

De bepaling omtrent “economische pardonnabiliteit” wordt aangevuld, zodat er, naast een verlenging van de uitvoeringstermijn van energiemaatregelen opgenomen in een energieplan, tevens een vrijstelling tot uitvoeren van bepaalde maatregelen verleend kan worden. Deze vrijstelling kan enkel verleend worden indien de exploitant aan de hand van berekeningen van de interne rentevoet aantoont dat het uitvoeren van deze maatregelen niet (langer) rendabel is.

 

De verplichting tot gescheiden opslag van niet-gedepollueerde en gedepollueerde voertuigwrakken wordt gewijzigd. Deze bepaling tot scheiding geeft in de dagdagelijkse praktijk bij de verwerkingsbedrijven immers belangrijke belemmeringen. Gezien de beperkte efficiëntie van deze bepaling, wordt deze aangepast, zodat onder welbepaalde voorwaarden een gezamenlijke opslag van niet-gedepollueerde en gepollueerde voertuigwrakken mag plaatsvinden.

 

De verbodsregels (50 meter van een woongebied) zijn niet meer van toepassing voor inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst (zijnde inrichtingen voor het thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen), die bestemd zijn voor het uitharden van poederlakken, wat veelal in moffelovens gebeurt. Dergelijke activiteit brengt immers geen emissie van VOS met zich mee, noch enige vorm van geluidshinder. Deze ovens worden gestookt op aardgas, zodat er ook geen emissie is van fijn stof

 

In navolging van het voorstel in de BBT-studie Grafische sector (2013) wordt de emissiegrenswaarde voor ethanol in geval van toepassing van met water verdunbare drukinkten, die als organisch oplosmiddel uitsluitend ethanol met een massagehalte van ten hoogste 25% bevatten, geschrapt.

Uit een bevraging van leveranciers en bedrijven blijkt dat ethanol niet (meer) uitsluitend wordt gebruikt als organisch oplosmiddel in met water verdunbare drukinkten. De emissiegrenswaarde is bijgevolg niet langer relevant.

 

Er werden verscherpingen doorgevoerd van de voorwaarden voor de opslag van producten in vaste houders, om in de praktijk uit te sluiten dat een houder met oranje label nooit in orde wordt gesteld. Bij controles door toezichthouders wordt vastgesteld dat er geregeld een soort ‘oranje carrousel’ ontstaat waarbij de erkende milieudeskundige diverse keren na mekaar een oranje klever of plaat aanbrengt, waardoor de houders in gebruik mogen blijven, maar binnen de zes maanden aan een

bijkomend onderzoek moeten worden onderworpen.

Het is daarom aangewezen om te stellen dat bij de bijkomende controle niet opnieuw een oranje klever of plaat mag worden aangebracht als de oorspronkelijk vastgestelde gebreken niet werden gecorrigeerd. In dat geval moet een rode klever of plaat worden aangebracht, zodat de houder pas terug mag worden gevuld als de gebreken werden gecorrigeerd (en de houder met positief aan een nieuwe controle werd onderworpen). Als tijdens de bijkomende controle andere nieuwe gebreken worden vastgesteld die geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder, mag wel een oranje klever of plaat worden aangebracht (mits de oorspronkelijke gebreken werden gecorrigeerd).

 

Sinds 31 maart 2012 gelden de nieuwe milieuvoorwaarden voor windturbines (BVR van 23 december 2011, B.S. 21 maart 2012). De hinder door slagschaduw wordt door de nieuwe sectorale voorwaarden beperkt tot maximaal 8 uur slagschaduw per jaar en maximaal 30 min/dag. Deze normering geldt ten opzichte van slagschaduwgevoelige objecten waar slagschaduw van windturbines hinder kan veroorzaken, zoals onder meer woningen, ziekenhuizen, rusthuizen,

schoolgebouwen, kantoorgebouwen, … Ook voor slagschaduwgevoelige objecten in industriezones (werkplaatsen, kantoorgebouwen, …) geldt deze norm van 8 uur slagschaduw per jaar en maximaal 30 minuten per dag. Voor de exploitatie van windturbines in een industriële omgeving, kan een hogere waarde voor slagschaduw aanvaardbaar zijn. Ook voor geluidsnormen geldt een differentiëring per gewestplanbestemming, waarbij industriezones soepeler normen krijgen dan woongebieden.

Dit artikel laat toe om bindende, soepelere normen voor slagschaduw door windturbines op industrieterreinen te realiseren om zo de inplanting van windturbines op de door het beleid gekozen preferentiële locaties (industrieterreinen) te faciliteren. Voor woningen blijft, ook in industriegebieden, de bestaande norm behouden van 8 uur per jaar en 30 minuten per dag, conform het advies van de Hoge Gezondheidsraad.

 

Naar aanleiding van de BBT-studie voor asfaltcentrales (2013), worden er bijkomende maatregelen opgelegd om diffuse VOS-emissies te beperken, namelijk het inkapselen van het traject vanaf de mixer tot en met de laadinstallatie voor de asfaltwachtsilo’s en het voorzien van een afzuiginstallatie aan de uitgang van de asfaltwachtsilo’s. Nieuwe installaties dienen direct te voldoen aan deze nieuwe maatregelen, voor bestaande installaties wordt er een overgangstermijn van 3 jaar voorzien.

 

Voor dieselmotoren die aangewend worden voor brandbeveiligingstoepassingen worden strenge normen naar betrouwbaarheid gehanteerd. Een roetfilter past daar niet in, wegens mogelijke bron van storingen. De van toepassing zijnde emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³ is hierdoor zeer moeilijk haalbaar. Uit informatie van enkele leveranciers blijkt dat een emissiegrenswaarde van 25 mg/Nm³ wel haalbaar is. Bijgevolg wordt de emissiegrenswaarde voor stof voor dieselmotoren die minder dan 500 uren/jaar in bedrijf zijn, aangepast van 20 mg/Nm³ naar 25 mg/Nm³.

 

Bij het van kracht worden van de wijzigingen van het VLAREM via de VLAREM-trein 2013 (sinds 4 oktober 2014) werden bronbemalingen vergunningsplichtig vanaf 30.000 m³/j, en werden ook de sectorale voorwaarden sneller van kracht (vroeger pas vanaf 2.500 m³/d). Dit heeft financiële en administratieve gevolgen voor de bouwfirma’s, en een aanpassing wordt gevraagd vanuit Aquafin.

 

Er wordt een nieuw hoofdstuk 6.12 “Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken” toegevoegd aan deel 6 van VLAREM II, met als doel het beheersen van stofemissies tijdens bouw-, sloop- in infrastructuurwerken. De fijn stof metingen en chemische analyses van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) tonen immers aan dat het fijn stof dat vrijkomt tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken vaak leidt tot significante verhogingen van het lokaal

gemeten fijn stof. De bepalingen en verplichtingen zijn enkel van toepassing op activiteiten in openlucht die worden uitgevoerd door een aannemer.

 

Wijzigingen aan het Stooktoestellenbesluit

Opdat de veilige staat van werking van een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof gegarandeerd zou zijn, moet onder meer het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst worden. Dit houdt in dat de erkende technicus bij een keuring voor eerste ingebruikname of een onderhoud van een centraal stooktoestel op vloeibare brandstof nagaat of het rookgasafvoerkanaal volgens de geldende normen en voorschriften van de fabrikant werden geïnstalleerd.

 

De eigenaar van het centrale stooktoestel is verantwoordelijk voor het laten uitvoeren van een keuring voor eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel en moet het keuringsrapport bewaren bij het stooktoestel. Met deze wijziging volstaat het een duplicaat van het keuringsrapport te bewaren bij het stooktoestel. In geval van verhuurder/huurder kan dit nuttig blijken.

De gebruiker van het centrale stooktoestel is verantwoordelijk voor het laten onderhouden van het centraal stooktoestel en moet de laatste twee attesten bij het stooktoestel bewaren. Met deze wijziging volstaat het duplicaten van de attesten te bewaren bij het stooktoestel.

 

Wijzigingen aan het Milieuhandhavingsbesluit

Met de voormelde wijzigingen aan VLAREM II, het stooktoestellenbesluit, de erkenningsbesluiten en het VLAREL moet ook de lijst met milieu-inbreuken in bijlage VII (artikel 1) van het Milieuhandhavingsbesluit milieubeleid aangepast worden.

 

Wijzigingen van diverse Besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en aan de CLP-verordening (VLAREM-trein 2013)

 

Dit betreft een wijziging van artikel 635, §3, van de VLAREM-trein 2013. Het betreft een verduidelijking van een overgangsbepaling omtrent de conformering van VLAREM met de CLP-verordening. Deze overgangsbepaling stelde dat de exploitant uiterlijk op 1 december 2015 een document moet opmaken waarin vermeld wordt onder welke subrubriek(en) van de indelingslijst de inrichting valt. Hieraan wordt nu toegevoegd dat tevens de opslaghoeveelheden per subrubriek in dit document moeten worden opgenomen. Dit was altijd zo bedoeld, maar wordt nu duidelijker omschreven.

← Terug naar overzicht