Nieuws

FLITS: Update milieu- en preventiewetgeving 4e kwartaal 2015

 

Hieronder volgt een update van de meest relevante wijzigingen van de milieu/preventie wetgeving en dit telkens met een link naar de wetgeving. *Het betreft de wijzigingen vanaf 23/09/2015 t.e.m. 15/12/2015.

 

MILIEU

AFVAL

Er traden in deze periode drie Europese Verordeningen in werking die rectificaties en wijzigingen omvatten van de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen. Het betreft o.a. rectificaties m.b.t. de omschrijving van afvalstoffen en de overname van de meest recente versie van de Europese Afvalstoffenlijst (EURAL) in bijlage V van deze verordening. Verder wordt ook het kennisgevings- en vervoersdocument aangepast zodat in rubriek IV van dit document voortaan verwezen wordt naar de gevarencodes van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (vermelding code gevaarlijke eigenschappen H-code(s) of HP-code(s)).

 

 

 

 

BODEM

  • Besluit van de Vlaamse Regering van 23/10/2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14/12/2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, B.S. 03/12/2015
  • Dit besluit omvat verscheidene wijzigingen aan het VLAREBO en treedt in werking op 01/02/2016. De belangrijkste wijzigingen worden hieronder opgesomd.
    • Het VLAREBO bepaalt de opstallen die niet beschouwd worden als grond, o.a. reclameborden, antennes en masten, installaties voor het opwekken van water-, wind- en zonne-energie, ... Met deze wijzigingen wordt de lijst van deze opstallen aangevuld met regenwaternetwerken. Bovendien wordt een voorwaarde toegevoegd dat in deze opstallen zelf geen risico-inrichting gevestigd mag (geweest) zijn. Deze opstallen worden voor de toepassing van het Bodemdecreet opnieuw als grond gekwalificeerd als door emissie vanuit het opstal bodemverontreiniging tot stand komt.
    • De beslissingstermijn van OVAM over de onontvankelijkheid van een aanvraag tot het verkrijgen van een bodemattest wordt verkort. De OVAM zal in plaats van binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voortaan binnen de 14 dagen na ontvangst te kennen geven aan de aanvrager dat de aanvraag niet ontvankelijk is.
    • De inrichtingen die niet als risico-inrichting worden gekwalificeerd, worden aangevuld met o.a. inrichtingen waarvan de sluiting dateert van voor 11/02/1946.
    • Inrichtingen waarvan de sluiting dateert van voor 11/02/1946 krijgen de kenletter ‘I’ in bijlage 1 van het VLAREBO (lijst van risico-inrichtingen waarvan de exploitatie is aangevat voor 01/06/2015). De gronden waarop deze inrichtingen gevestigd waren dienen door de gemeente mee opgenomen te worden in een gemeentelijke inventaris.
    • Een vrijstelling van de verplichting tot het uitvoeren van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering gaat voortaan niet enkel over op de eerste verwerver, maar ook op alle volgende verwervers, indien zij aan de in het VLAREBO gestelde voorwaarden blijven voldoen.
    • Met de cofinanciering kunnen subsidies toegekend worden bij de sanering van ernstige historische bodemverontreiniging. In het VLAREBO was reeds een uitzondering op het verkrijgen van cofinanciering opgenomen voor die eigenaars ten laste van wie reeds een bodemmisdrijf werd vastgesteld (proces-verbaal). Voortaan verliezen ook eigenaars die inbreuken hebben gepleegd op de bodembeschermingsregels en waarvan een verslag van vaststelling werd gemaakt hun recht op cofinanciering.
    • Voor de vermengde bodemverontreiniging, dit is bodemverontreiniging waarbij meerdere saneringsplichtigen betrokken zijn, werden richtlijnen opgenomen voor het bepalen van de verdeelsleutel. De verdeelsleutel wordt bepaald door OVAM wanneer de betrokken saneringsplichtigen niet tot een akkoord komen over het verdelen van de kosten voor het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering.
    • De uitzonderingen tot de verplichting van het uitvoeren van een nieuw oriënterend bodemonderzoek worden aangepast. Onder andere wanneer geen risico-inrichting gevestigd is of was sinds de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek geldt een uitzondering. Met de wijzigingen in dit besluit worden dan wel weer bijkomende situaties omschreven waarin toch een oriënterend bodemonderzoek zou nodig zijn. Dit is het geval bij wijziging van de ruimtelijke omschrijving of het bestemmingstype van de grond, of indien zich sinds het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek een nieuw schadegeval heeft voorgedaan.
    • Bij versnelde overdracht van een risicogrond zal, na inwerkingtreding van dit besluit, de overdrager of een derde partij financiële zekerheid kunnen stellen.
    • In bijlage 1 van het VLAREBO (lijst van risico-inrichtingen waarvan de exploitatie is aangevat voor 1/06/2015) worden 2 inrichtingen toegevoegd. Het betreft slachthuizen met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag geslachte dieren en tussentijdse opslagplaatsen voor uitgegraven bodem met een capaciteit van meer dan 10.000 m³. Beide types inrichtingen zullen voortaan een oriënterend bodemonderzoek moeten laten uitvoeren bij overdracht, sluiting en faillissement (kenletter ‘O’)

 

ENERGIE

 

PESTICIDEN

 

WATER + VLAREM I + VLAREM II 

 

BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING GOEDGEKEURD

Op vrijdag 27/11/2015 werd het uitvoeringsbesluit voor de omgevingsvergunning definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Met de omgevingsvergunning zullen ondernemers niet langer de verschillende procedures voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning apart moeten doorlopen, maar zal één procedure volstaan. Voor meer informatie omtrent de omgevingsvergunning verwijzen wij naar onze milieuflits van oktober jl., waarin algemene info, een overzicht van de wetgeving, wijzigingen van de indelingslijst  en de regeling voor omzetting van bestaande milieuvergunningen is opgenomen.

Het uitvoeringsbesluit van de omgevingsvergunning zal binnenkort in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd. De inwerkingtreding is bepaald op één jaar na publicatie van het uitvoeringsbesluit. Indien het uitvoeringsbesluit nog deze maand in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, zal dit dus december 2016 zijn.

 

PREVENTIE

BIOCIDEN

 

ARBEIDSONGEVALLEN en BEROEPSZIEKTEN

 

 

 

Een verzekerd risico wordt als een verzwaard risico beschouwd indien :

- in de onderneming de risico-index op jaarbasis in het laatste kalenderjaar en in een ander kalenderjaar van de observatieperiode minstens driemaal de risico-index van de activiteitensector waartoe de onderneming behoort bedraagt en minstens vijfmaal de risico-index van de privésector

- en er in de loop van deze beide kalenderjaren minstens 2 arbeidsongevallen gebeurden en minstens 6 in de loop van de observatieperiode.

De risico-index is gelijk aan de som van de frequentie en de ernst, gedeeld door het arbeidsvolume dat wordt uitgedrukt in voltijdse equivalenten.

De frequentie is het totale aantal arbeidsongevallen dat werd geregistreerd in de loop van de observatieperiode, vermenigvuldigd met 4.

De ernst is het aantal ten gevolge van arbeidsongevallen werkelijk verloren kalenderdagen, beperkt tot 120 dagen per arbeidsongeval. Voor een dodelijk ongeval worden 120 dagen in rekening gebracht.

 

 

TARIFERING EXTERNE DIENSTEN (zie ook onze vorige preventieflits november)

  • Koninklijk besluit van 27/11/2015 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27/03/1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering, B.S. 14/12/2015.
  • In onze preventieflits van vorige maand kon u reeds alle toelichting lezen betreffende het Koninklijk Besluit van 24/04/2014 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 27/03/1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk (EDPB) wat betreft de tarifering. Daarin werd tevens melding gemaakt van het overleg met de sociale partners waaruit de vraag naar een aangepast KB kwam. Via het advies n°184bis van 13/07/2015 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, volgde een ontwerp KB die dan het KB van 24/04/2014 zou intrekken.
  • Het huidige Koninklijk Besluit van 27/11/2015 betreft de publicatie van bovenstaand ontwerp KB en legt volgende definitief vast:
    • De berekeningsbasis van de jaarlijkse bijdrage aan de externe diensten is niet langer uitsluitend gebaseerd op het aantal al dan niet aan het gezondheidstoezicht onderworpen werknemers.
    • De werkgevers worden ingedeeld op basis van hun hoofdactiviteit en de grootte van de onderneming. Er zijn 5 tariefgroepen en voor werkgevers met hoogstens 5 werknemers gelden lagere tarieven.
    • Bij de omschrijving van de prestaties die de externe diensten moeten leveren in ruil voor de bijdrage, is er sprake van een betere spreiding van het takenpakket over de verschillende welzijnsdomeinen.
    • De externe dienst moet een elektronische inventaris bijhouden die de werkgever op elk moment kan raadplegen.
    • Er wordt voorzien in een monitoring, gevolgd door een evaluatie van het systeem.

 

IONISERENDE STRALING

 

CHEMISCHE AGENTIA

 

← Terug naar overzicht