Nieuws

FLITS : Update milieu- en preventiewetgeving 1e kwartaal 2015

Hieronder volgt een update van de meest relevante wijzigingen van de milieu/preventie wetgeving en dit telkens met de link naar de wetgeving. *Het betreft de wijzigingen vanaf 18/12/2014 t.e.m. 25/03/2015.

 

MILIEU

AFVAL

 

 

ALGEMEEN

 

 

 

ENERGIE

 

 

  • Besluit van de Vlaamse Regering van 19/12/2014 tot wijziging van het Energiebesluit van 19/11/2010, wat betreft de banking van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten door de netbeheerders, B.S. 30/12/2014.
  • Begin 2014 legde de Vlaamse Regering, de netbeheerders en de beheerders van een plaatselijk vervoernet van elektriciteit een ‘banking’-verplichting op. Van alle certificaten die zij tussen 1 november 2011 en 1 november 2012 in hun bezit hadden, moesten zij 1,5 miljoen groenestroomcertificaten (GSC’s) en 1 miljoen warmte-krachtcertificaten (WKC’s) immobiliseren. De einddatum van de bankingplicht wordt verschoven naar 01/07/2016. Intussen wordt gezocht naar een systeem om de gebankte certificaten geleidelijk aan op de markt te kunnen brengen, zonder de certificatenmarkt te ontwrichten.

 

  • Op 01/01/2015 zijn de energiebeleidsovereenkomsten (EBO) in werking getreden voor energie-intensieve en zeer energie-intensieve bedrijven. De nieuwe EBO’s lopen tot 31/12/2020 en zijn de opvolgers van de benchmarking- en auditconvenanten. Zie website www.ebo-vlaanderen.be

 

GEVAARLIJKE STOF

 

  • Verordening (EG) nr. 2015/282 van de Commissie van 20/02/2015 tot wijziging van de bijlagen VIII, IX en X bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) met betrekking tot het uitgebreide onderzoek naar de giftigheid voor de voortplanting met één generatie, E.P. 21/02/2015.
  • Introductie EOGRTS-testmethode (Extended One-Generation Reproductive Toxicity Study of uitgebreid onderzoek naar de giftigheid voor de voortplanting met één generatie). Eén-generatie-EOGRTS krijgt de voorkeur op het huidige voortplantingsonderzoek, waarbij er over twee extra generaties wordt getest. Fabrikanten en importeurs die per jaar meer dan 10 ton, meer dan 100 ton of meer dan 1.000 ton chemische stoffen vervaardigen of invoeren, moeten het risico op ‘giftigheid voor de voortplanting’ onderzoeken i.k.v. de registratie bij ECHA. De EOGRTS-methode is vanaf 13/03/2015 van toepassing op voortplantingstoxiciteitstests voor chemische stoffen.

 

  • Verordening (EU) 2015/326 van de Commissie van 02/03/2015 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat polycyclische aromatische koolwaterstoffen betreft, E.P. 03/03/2015
  • De REACH bijlage XVII verbiedt het in de handel brengen van procesoliën voor rubberverwerking en voor de productie van banden onder bepaalde voorwaarden m.b.t. hoeveelheid PAK's. Er werd een nieuwe testmethode ontwikkeld voor bepaling gehalte PAK's in procesoliën. Deze nieuwe testmethode mag toegepast worden vanaf 23/03/2015 maar de oude testmethode mag ook nog tot 23/09/2016 worden gebruikt. De verplichting tot heroverweging m.b.t. beperkingen van bepaalde ftalaten wordt geschrapt, gezien voorlopig geen wijzigingen in regelgeving.

 

 

NATUUR

 

  • Omzendbrief/LNE/2015/1 van 20/02/2015 betreffende de toepassing van de op grond van artikel 36ter, §3 en §4, van het Natuurdecreet opgelegde beoordeling van vergunningsaanvragen betreffende projecten of activiteiten met mogelijk betekenisvolle effecten voor speciale beschermingszones (SBZ), B.S. 27/02/2015.
  • Deze omzendbrief omvat een interpretatie van en hulpmiddelen voor de door de initiatiefnemer op te maken passende beoordeling en de behandeling hiervan bij de beslissing over vergunningsaanvragen (zoals stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, milieuvergunningsaanvragen en natuurvergunningsaanvragen). Het gaat hierbij zowel om de aangewezen speciale beschermingszones in uitvoering van de Habitatrichtlijn – de zogenaamde habitatrichtlijngebieden of SBZ-H – als om de speciale beschermingszones in uitvoering van de Vogelrichtlijn – de zogenaamde vogelrichtlijngebieden of SBZ-V als om de speciale beschermingszones van de andere gewesten van ons land en van andere lidstaten van de Europese Unie. In bijlage 2 bij de omzendbrief wordt, per gemeente waarop dit van toepassing is, aangegeven welke speciale beschermingszones er zich op het gebied van een gemeente bevinden. Daarbij moet opgemerkt worden dat het feit dat er in een gemeente geen speciale beschermingszone gelegen is, niet noodzakelijk betekent dat er in die gemeente voor geen enkele vergunningsplichtige activiteit een passende beoordeling zou moeten gebeuren. Het is immers mogelijk dat een voorgenomen activiteit in een dergelijke gemeente, waarvoor een (her)vergunning wordt gevraagd, een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone die gelegen is in een naburige gemeente (of over de gewest- of landsgrens). De volledige lijst van speciale beschermingszones wordt in bijlage 3 van de omzendbrief hernomen, niet alleen met vermelding van alle gemeenten waarin ze gelegen zijn, maar ook met aanduiding van de besluitvorming van de Vlaamse Regering die er telkens aan verbonden is. Het traject m.b.t. de passende beoordeling verloopt in 3 fasen (een schema hieromtrent is opgenomen in bijlage 1 bij deze omzendbrief):

 

VOORTOETS

Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) heeft hiervoor een online tool ontwikkeld (beschikbaar op https://www.milieuinfo.be/voortoets/ ). Met deze tool wil het ANB aan initiatiefnemers de mogelijkheid bieden om op voorhand in te schatten wat de mogelijke implicaties zijn van een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit op een SBZ. Aan de hand van deze screening kan de initiatiefnemer nagaan of er een waarschijnlijkheid of een risico bestaat op een betekenisvolle aantasting van de actuele en mogelijke toekomstige habitats (en in een verdere fase van de uitwerking ook op de soorten) die voorkomen in deze SBZ. Geeft de VOORTOETS aan dat er géén waarschijnlijkheid of risico op een betekenisvolle aantasting te verwachten is dan moet de initiatiefnemer geen passende beoordeling opmaken. Is er wel een waarschijnlijkheid of een risico dan is verder onderzoek door de initiatiefnemer of overleg met het ANB aangewezen om te bepalen of er een betekenisvolle aantasting kan zijn. Hieruit blijkt dan of een passende beoordeling is vereist.

De VOORTOETS is in een eerste fase alleen beschikbaar voor de effecten gekoppeld aan direct ruimtebeslag en aan eutrofiëring via lucht op habitats. In deze eerste fase is de VOORTOETS dan ook bekend als “depositiescan”. Het is de bedoeling om dit uit te breiden.

 

PASSENDE BEOORDELING OPMAKEN

Een passende beoordeling is een schriftelijk verslag dat gemotiveerde argumenten aanlevert waarom de instandhoudingsdoelstellingen van een SBZ al dan niet kunnen worden aangetast door een geplande activiteit. Er wordt hierbij ingegaan op eventuele directe, indirecte, secundaire of cumulatieve effecten op korte, middellange en lange termijn, permanent of tijdelijk. Belangrijk hierbij is, dat het niet alleen gaat over effecten die met zekerheid zullen optreden, maar ook over de waarschijnlijkheid dat een betekenisvolle aantasting kan optreden. Op basis van deze argumenten wordt vervolgens door de initiatiefnemer een gemotiveerde beslissing genomen over de mogelijke impact van een geplande activiteit. De initiatiefnemer voegt dan de passende beoordeling bij de vergunningsaanvraag.

In bijlage 4 bij deze omzendbrief wordt een indicatieve structuur van een passende beoordeling weergegeven. Dat kan als uitgangspunt gebruikt worden bij de opmaak van een passende beoordeling.

 

BESLISSING

De vergunningverlenende overheid zal over het dossier oordelen en rekening houden met de resultaten van de passende beoordeling. Eventueel worden hierbij ook voorwaarden opgelegd.

 

OMGEVINGSVERGUNNING

 

  • Besluit van de Vlaamse Regering van 13/02/2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25/04/2014 betreffende de omgevingsvergunning, B.S. 04/03/2015.
  • Een aanvraag voor een omgevingsvergunning zal in de toekomst behandeld worden door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente waar het project gesitueerd is. Voor bepaalde projecten zijn ook de provincies of het Vlaamse Gewest bevoegd. De lijst van deze projecten is beschikbaar. De opdeling is van toepassing vanaf 14/03/2015. Ook art. 2 van het Omgevingsvergunningsdecreet treedt met dit besluit in werking. Dit artikel definieert een aantal begrippen o.a. gemeentelijke projecten, provinciale projecten en Vlaamse projecten.

 

WATER

 

  • Decreet van 19/12/2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015, B.S. 30/12/2014.
  • Wijziging Wet van 26/03/1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging: Het basiseenheidstarief van de afvalwaterheffing voor rioollozers en oppervlaktewaterlozers stijgt (oppervlaktewater lozers van 22,3 euro/VE naar 22,64 euro/VE en niet-oppervlaktewaterlozers van 29,1 euro/VE naar 33,38 euro/VE). De eenheidstarieven worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Beide aanpassingen zijn van toepassing vanaf 01/01/2016.

 

TER INFO

 

VLAREM

 

Er is opnieuw een voorontwerpbesluit verschenen tot wijziging van onder andere VLAREM II en de bijlagen, namelijk de VLAREM-trein 2015. Ook het VLAREL wordt in belangrijke mate gewijzigd door dit voorontwerp van besluit.
Daarnaast ligt er ook een voorontwerp van wijzigingsbesluit van VLAREM III klaar. Met dit voorontwerp van wijzigingsbesluit worden aan VLAREM III de bijkomende sectorale milieuvoorwaarden toegevoegd voor de volgende GPBV-installaties: het looien van huiden en vellen; de productie van cement-, kalk- en magnesiumoxide; de productie van chlooralkali. Meer hierover in één van onze volgende flitsen.

 

Momenteel is in VLAREM II, art. 4.9.2.1. de volgende bepaling m.b.t. toepassingsgebied energieaudit opgenomen: "Deze afdeling is van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen waar meer dan 250 personen werkzaam zijn of waarvan de jaaromzet 50 miljoen euro overschrijdt of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen euro overschrijdt."
Dit artikel zal met de VLAREM-trein 2015 aangepast worden als volgt: "Deze afdeling is van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen waar ofwel meer dan 250 personen werkzaam zijn, ofwel waarvan de jaaromzet 50 miljoen euro overschrijdt én het jaarlijks balanstotaal 43 miljoen euro overschrijdt."

 

SUBSIDIES

 

Volgens het Ministerieel besluit van 11/03/2015 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16/11/2012 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor strategische ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, wat betreft de aanpassing van de subsidiepercentages, B.S. 25/03/2015 kan er opnieuw strategische ecologiesteun (STRES) aangevraagd worden en dit sinds 11/03/2015. De nieuwe steunpercentages liggen lager dan de voorbije jaren.

 

 

PREVENTIE

 

IONISERENDE STRALINGEN

 

  • Besluit FANC van 17/11/2014 houdende richtlijnen op te volgen bij de detectie of het aantreffen van een weesbron in weesbrongevoelige inrichtingen in de niet-nucleaire sector, B.S. 16/12/2014.
  • Het huidige besluit van het FANC van 03/11/2011 houdende richtlijnen op te volgen bij de detectie of het aantreffen van een weesbron in weesbrongevoelige inrichtingen in de niet-nucleaire sector, en zijn bijlagen worden opgeheven en vervangen door dit nieuw besluit.

 

MEDISCH TOEZICHT

 

  • Programmawet 2015 van 19/12/2014, art. 153, art. 157 en art. 169 tot wijziging van de Ziekteverzekeringswet  van 14/07/1994, B.S. 26/12/2014.
  • Meer bepaald in artikel 100 van de Ziekteverzekeringswet van 14/07/1994 wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd met betrekking tot de implementatie van een multidisciplinair re-integratieplan voor de betrokken arbeidsongeschikte binnen een termijn van 3 maand na aanvang van de periode van primaire arbeidsongeschiktheid. De betrokken actoren, de inhoud en de modaliteiten van het re-integratieplan en de regelmatige opvolging ervan moeten nog bij diverse KB's vastgelegd worden. De gecoördineerde versie van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van 14/07/1994 (B.S. 27/08/1994) is terug te vinden via onderstaande link (ingeven van afkondigingsdatum).

 

TRANSPORT

 

  • Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR-2015), B.S. 18/12/2014.
  • De internationale overeenkomst inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) wordt om de 2 jaar bijgewerkt. Op 22 november 2014 is een derde aanpassing in het Europees publicatieblad gepubliceerd en in het Belgisch Staatsblad op 18 december 2014.   Zo treedt er op 1 januari 2015 een nieuwe ADR-2015 versie op. De lidstaten krijgen tijd tot 30 juni 2015 om aan de bepalingen van ADR-2015 te voldoen. Op de website van FOD Mobiliteit is het ADR-2015 te consulteren.

 

  • Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/217 van de Commissie van 10 april 2014 houdende toestemming voor de lidstaten om bepaalde afwijkingen vast te stellen krachtens Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land, E.P. 18/02/2015, afl. 44.
  • Lidstaten kunnen voor het binnenlands vervoer over de weg van kleine hoeveelheden en voor het plaatselijk vervoer over korte afstanden een afwijking vragen van de bepalingen van Richtlijn 2008/68/EG. Zo kreeg België afwijkingen die te maken hebben met het vervoer van kleine hoeveelheden springstoffen, met het vervoer in ongereinigde lege recipiënten, met de distributie van goederen in binnenverpakkingen, met het vervoer van radioactieve rookmelders, ed. De meeste van deze afwijkingen vervallen echter op 30 juni aanstaande. De Commissie vertelt niet wat er ná 30 juni met de afwijkingen zal gebeuren.

 

TER INFO

 

BIOCIDEN

Vanaf 1 september 2015 mag een leverancier van biocideproducten (d.i. alle producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit biociden of een werkzame stof genereren) deze producten niet meer op de EU-markt brengen tenzij de leverancier is opgenomen in de Artikel 95-lijst van de Biocidenverordening. Het ECHA brengt in dit kader 4 nieuwe handleidingen uit over gegevensuitwisseling, gericht naar bedrijven die biociden verhandelen.

Sommige verven en coatings bevatten producten met antibacteriële werking om schadelijke en pathogene micro-organismen op het verfoppervlak te doden. Met een uitvoeringsbesluit ((EU) 2015/411) van 11 maart 2015 (E.P. 12/03/2015) heeft de Europese Commissie hierdoor beslist dat een bepaalde groep van bijmengsels: de 'kationische polymeerbindmiddelen met quaternaire ammoniumverbindingen' als biociden beschouwd moeten worden, en dit vanaf 1 april 2015. Dat betekent dat verffabrikanten die dergelijke verbindingen aan de verven en coatings toevoegen, onder de Biocidenregelgeving komen te vallen.

 

PSYCHOSOCIALE ASPECTEN

Met de Wet van 28 februari 2014 tot aanvulling van de Welzijnswet van 4 augustus 1996 wat de preventie van psychosociale risico's op het werk betreft, is men verplicht tot het aanpassen van het arbeidsreglement tegen uiterlijk 1 maart 2015. Hierin moet o.a. de contactgegevens van preventieadviseur psychosociale aspecten, de externe dienst en eventueel vertrouwenspersoon opgenomen worden en tevens de procedures in kader van het verzoek tot (in)formele interventie.

 

In navolging van het KB van 10/04/2014 betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk (art. 80), moet het jaarverslag van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk sinds 1 januari 2015 meer inlichtingen bevatten over de preventie van de psychosociale risico’s op het werk. Deze informatie is terug te vinden in punt VIIbis van bijlage III bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.

 

SOCIALE VERKIEZINGEN

De data voor de komende sociale verkiezingen in 2016 zijn gekend. Op vrijdag 27 februari 2015 heeft de ministerraad het wetsontwerp van de wet op de sociale verkiezingen goedgekeurd. Volgens dit ontwerp moeten de sociale verkiezingen tussen 9 en 22 mei 2016 georganiseerd worden. Dat betekent dat de eerste stappen van de procedure tussen 11 en 24 december 2015 plaatsvinden. Het verloop van de procedure voor de verkiezingen is niet aangepast. Wel kunnen vertrouwenspersonen binnen een onderneming zich niet langer kandidaat stellen voor een mandaat in de ondernemingsraad.

 

ARBEIDSONGEVALLEN

De inhoud van het consolidatieverslag dat opgemaakt wordt bij arbeidsongevallen, wordt vanaf 1 januari 2015 uitgebreid. Dit verslag wordt opgemaakt door de raadsgeneesheer, aangewezen door de arbeidsongevallenverzekering in kader van het overeen te komen verschuldigde vergoedingsbedrag tussen verzekeraar en getroffene, bekrachtigd door het Fonds van arbeidsongevallen. De inhoud bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van de letsels veroorzaakt door het arbeidsongeval en hoe ze evolueren.  De nieuwe aanvulling omvat een beschrijving van de stappen die moeten zorgen voor de professionele revalidatie en herscholing van de getroffene. Deze uitbreiding kadert in het Koninklijk besluit van 17 juli 2014 (B.S. 11/09/2014), tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 december 1987 houdende vaststelling van de wijze en voorwaarden van de bekrachtiging van de overeenkomsten door het Fonds voor arbeidsongevallen.

 

SEVESO

In het kader van de nieuwe Europese Seveso III richtlijn 2012/18/EU (E.P. 24/07/2012) die o.a. de omschakeling naar CLP beoogt, is op 3 maart 2015 een ontwerp Seveso samenwerkingsakkoord  goedgekeurd tussen de federale staat en de drie gewesten voor de omzetting van de Europese regelgeving in Belgisch recht. Dit samenwerkingsakkoord is bedoeld het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 te vervangen. Het ontwerp wordt nu voorgelegd aan het Overlegcomité en wordt voor advies overgemaakt aan de Raad van State. De lidstaten moeten de nieuwe EU richtlijn omzetten tegen 31 mei 2015 en van kracht laten gaan op 1 juni 2015.
 

NANO MATERIAAL

Met het koninklijk besluit van 27 mei 2014 betreffende het op de markt brengen van stoffen geproduceerd in nanoparticulaire toestand (B.S. 24/09/2014) zijn exploitanten die nanodeeltjes produceren of verwerken in een mengsel, verplicht tot registratie en/of kennisgeving bij de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu. Een onderneming die in ons land per jaar minstens 100 gram stoffen in nanoparticulaire toestand produceert of vermengt, of ze hier op de markt brengt voor professionele gebruikers, heeft een registratieplicht. De exploitant heeft een kennisgevingsplicht voor de voorwerpen en samengestelde objecten waarin er nanodeeltjes geïntegreerd werden, en dit vooraleer die voorwerpen of samengestelde objecten op de markt worden gebracht.

De registratieplicht geldt vanaf 1 januari 2016, voor nanodeeltjes die als zelfstandige producten op de markt worden gebracht, en vanaf 1 januari 2017, voor nanodeeltjes die verwerkt worden in mengsels. Het Stoffen/mengsels die op 1 januari 2016/2017 al op de markt waren moeten echter reeds vóór 1 januari 2016/2017 geregistreerd zijn. De kennisgevingsplicht voor voorwerpen en samengestelde objecten die nanodeeltjes bevatten, treedt in werking op een latere datum.

← Terug naar overzicht