Nieuws

FLITS : Milieuflits juli 2017

Nieuwe aanpak voor advisering verontreinigd regenwater

In samenwerking met het departement Omgeving werd door de VMM een nieuwe aanpak ontwikkeld voor de advisering van de lozingsdebieten voor verontreinigd regenwater. Is dit voor u van toepassing? In deze flits leest u meer over de verplichtingen m.b.t. de lozing van regenwater zoals opgenomen in Vlarem II, wanneer regenwater als verontreinigd wordt aanzien, de nieuwe aanpak voor de advisering van lozingsdebieten van verontreinigd regenwater en de gevolgen daarvan.

 

Regenwater en Vlarem II

 

Op het moment dat een gescheiden riolering beschikbaar is (wanneer deze wordt aangelegd of heraangelegd) is een volledige scheiding tussen het afvalwater en het regenwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, verplicht. Volgens de bepalingen van Vlarem II (art. 4.2.1.3. §4 en §5) zijn hier echter uitzonderingen mogelijk. Zo is voor bestaande gebouwen in een gesloten bebouwing de scheiding tussen het afvalwater en het regenwater enkel verplicht indien daarvoor geen leidingen onder of door het gebouw moeten worden aangelegd. Ook andere omstandigheden waarin de verplichte scheiding niet wordt nageleefd zijn mogelijk, maar dit dient dan zo opgenomen te worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in het uitvoeringsplan.

 

Voor de afvoer van het regenwater is verder ook de prioriteit van afvoerwijzen bepaald in Vlarem II. In afnemende graad van prioriteit is dit:

 

1.            opvang voor hergebruik;

2.            infiltratie op eigen terrein;

3.            buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor regenwater;

4.            lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.

 

Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voornoemde afvoerwijzen toelaten, mag het regenwater overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden geloosd in de openbare riolering.

 

Van regenwater dat afstroomt van daken en verhardingen van particulieren veronderstelt de wetgever dat dit slechts in beperkte mate verontreinigd is. Hierdoor wordt het aanzien als niet-verontreinigd regenwater. Hetzelfde geldt voor het regenwater afkomstig van de dakoppervlakte van bedrijfsgebouwen, en regenwater dat op verhardingen van bedrijven terechtkomt maar niet aanraking kan komen met verontreinigingen.

 

Wanneer regenwater echter valt op verharde terreinen waar zich verontreinigingen kunnen bevinden als gevolg van de exploitatie van een inrichting, wordt dit regenwater als verontreinigd regenwater beschouwd. Voorbeelden van dergelijke inrichtingen zijn onder andere bepaalde bedrijven voor de opslag of de verwerking van afval (indien (een gedeelte van) de opslag in open lucht is uitgevoerd) en tankpistes. Van zodra regenwater dus in aanraking kan komen met verontreinigende stoffen, wordt het aanzien als bedrijfsafvalwater. Hiervoor dient in een omgevingsvergunningsaanvraag of –melding voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit dus een lozingsdebiet voor verontreinigd regenwater aangevraagd te worden.

 

Opgelet! Wanneer zowel niet-verontreinigd als verontreinigd regenwater samen geloosd worden, zal deze stroom als verontreinigd worden aanzien indien de verschillende deelstromen niet apart kunnen worden gecontroleerd.

 

Nieuwe aanpak advisering

 

Sinds juni 2017 hanteert de VMM een nieuwe aanpak voor de advisering van de lozingsdebieten voor dergelijk bedrijfsafvalwater. Tot voor kort werd immers geen rekening gehouden met piekdebieten, en diende het aan te vragen debiet berekend te worden op basis van de jaargemiddelde neerslaghoeveelheid en afspoelbare oppervlakte (0,8 m³/m².jaar, cijfer gebaseerd op waarnemingen van de meest recente oscillatieperiode in Ukkel 1970-2007). Het uurdebiet en dagdebiet diende vastgesteld te worden met terugrekening aan de hand van de indelingscriteria zoals vermeld in Vlarem II, bijlage 1 (de indelingslijst).

 

In Vlaanderen is de neerslag echter zeer variabel, zowel in de tijd als in de ruimtelijke dimensie, en in een dergelijke aanpak waarbij het debiet wordt uitgemiddeld werd dit niet voldoende in rekening gebracht.

Daarom wordt bij het ontwerp van rioleringsinfrastructuur (‘Code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen’, goedgekeurd d.d. 20 augustus 2012) reeds rekening gehouden met piekdebieten, om bij hevige regenbuien problemen met de rioleringsdimensionering en de ontvangende waterloop te vermijden. Naast een hydraulische hebben dergelijke problemen ook een ecologische impact. Daarom werd in samenwerking met het departement Omgeving door VMM een nieuwe aanpak ontwikkeld voor de advisering van de lozingsdebieten voor verontreinigd regenwater.

 

Voortaan wordt voor de bepaling van het dag- en uurdebiet rekening gehouden met piekdebieten bij regenweer. Hierdoor moet voor de bepaling van deze debieten gerekend worden met een composietbui met een terugkeerperiode van 2 jaar.

Volgens de nieuwe aanpak zal de overheid zich voor het bepalen van de lozingsdebieten voortaan baseren op de volgende hoeveelheden:

 

  • Jaardebiet: verharde oppervlakte x 0,85 m³/m².jaar (gemiddelde neerslaghoeveelheid in Ukkel over een periode van 30 jaar: 1981-2010)
  • Dagdebiet: verharde oppervlakte x 0,0408 m³/dag.m² of 1,7 mm/u of 4,7 l/s.ha
  • Uurdebiet: verharde oppervlakte x 0,0159 m³/u.m² of 15,9 mm/u of 44 l/s.ha

 

Bij omgevingsvergunningsaanvragen voor de exploitatie van een nieuwe ingedeelde inrichting of activiteit (nieuwe gebouwen) zal deze aanpak onmiddellijk toegepast worden. VMM liet in een nieuwsbericht reeds weten dat voor bestaande gebouwen (= gebouwen < 1 februari 2005) een overgangstermijn zou kunnen worden voorzien, waarin de aanpak in overleg met het bedrijf kan besproken worden. Bovendien zou voor alle bedrijven bij de berekening van de lozingsdebieten wel kunnen afgeweken worden van de nieuwe aanpak, mits in de omgevingsvergunningsaanvraag voldoende motivering tot afwijken is opgenomen (de motivering kan bijvoorbeeld aan de hand van het nemen van bronmaatregelen, hergebruik, buffering, gebruik van afvloeicoëfficiënten, …)

 

Gevolgen

 

De impact van deze nieuwe aanpak kan het beste geïllustreerd worden met een voorbeeld:

 

Voor een nieuw bedrijf met een oppervlakte van 7000 m² dat geen maatregelen of buffering toepast:

 

  • de te vergunnen lozingsdebieten oude aanpak: 5600 m³/jaar, 28 m³/dag en 2,8 m³/uur
  • de te vergunnen lozingsdebieten nieuwe aanpak: 5950 m³/jaar, 285,6 m³/dag en 111,3 m³/uur
  • bedrijfsafvalwater te vergunnen onder rubriek 3.4.3 (t.e.m. 2 m³/u klasse 3 (zonder gevaarlijke stoffen) of klasse 2 (met gevaarlijke stoffen), > 2 m³/u en ≤ 100 m³/u klasse 2, > 100 m³/u klasse 1)

 

Door deze nieuwe aanpak zal dus een hogere indelingsrubriek van toepassing zijn voor de lozing van het verontreinigd regenwater (vanaf een oppervlakte van 125 m² klasse 2, vanaf 6300 m² oppervlakte klasse 1). In de meeste gevallen zal dit echter geen klasseverhoging van het volledige bedrijf teweeg brengen, aangezien bedrijven waarvoor dit van toepassing is reeds in de desbetreffende klasse zijn ingedeeld voor andere activiteiten (bvb. afvalverwerkers zijn reeds klasse 1 omwille van de afvalverwerkende activiteit, tankstations met tankpistes zijn reeds klasse 2, …).

 

Vlarem II stelt echter dat een controle-inrichting noodzakelijk is voor bedrijfsafvalwater van inrichtingen die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater van meer dan 2 m3 per dag of 50 m3 per maand of 500 m3 per jaar lozen. Afhankelijk van het debiet is ook bepaald hoe deze controle-inrichting er moet uitzien. Er is in de algemene milieuvoorwaarden met betrekking tot deze controle-inrichting echter opgenomen dat hiervan kan afgeweken worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.

 

VMM zou deze afwijking toestaan in volgende gevallen:

 

  • Tot 80 m³/u of 204 m³/dag (~ 5000 m²) voor de plaatsing van een meetgoot
  • Tot 2000 m³/u of 5100 m³/dag (~ 125000 m²) voor de plaatsing van debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur

 

Vanaf een lozingsdebiet dat hoger ligt dan 15 m³/uur, 300 m³/dag en/of 7.500 m³/jaar dient in het kader van het zelfcontroleprogramma het bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat, éénmalig per kalenderjaar geanalyseerd te worden op een aantal parameters (voor bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat is een zelfcontroleprogramma van toepassing indien meer dan 30 m³/uur, 600 m³/dag en/of 15.000 m³/dag wordt geloosd). Hiervan is geen afwijking mogelijk, tenzij voor debieten hoger dan 50 m³/u.

 

Tot slot kan in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag waarin een lozingsdebiet voor het lozen van verontreinigd regenwater is opgenomen door de waterloop- of rioolbeheerder gevraagd worden om het afvalwater te bufferen (bijv. conform Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening (buffer 25 l/m² - 20 l/s.ha)). Dit heeft dan wel tot gevolg dat de indelingsrubriek lager zal zijn, aangezien op basis hiervan een afwijkende aanpak voor de bepaling van het lozingsdebiet zal worden toegestaan.

 

RELEVANTE INFO – VMM

https://www.vmm.be/nieuws/archief/nieuwe-aanpak-lozing-verontreinigd-regenwater

← Terug naar overzicht