Nieuws

FLITS : Milieu/Preventieflits juli 2016

Samenwerkingsakkoord Seveso 3 is een feit

 

Op 10 juni 2016 trad het Seveso 3 samenwerkingsakkoord, kortweg SWA3, in werking. Dit samenwerkingsakkoord werd gesloten in uitvoering van de Europese Seveso III richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU). Het nieuw akkoord heft het vorige samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 (SWA2) op, dat nog gebaseerd was op de reeds vervallen Seveso I en II richtlijnen.

Doordat dit SWA3 nu in werking treedt, zetten we graag voor u nog even op een rij wat de belangrijkste wijzigingen zijn.

 

1. Gezamenlijke instemming

 

Aangezien het om een samenwerkingsakkoord gaat, was voor het kunnen van kracht gaan, instemming nodig van zowel de federale staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Op 10 juni 2016 publiceerde het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als laatste haar instemmingsakte, waarbij het samenwerkingsakkoord op diezelfde dag in werking trad.

 

Op 5 juni 2015 werd het samenwerkingsakkoord (SWA3) reeds gepubliceerd maar dit enkel om officieel gezamenlijk advies van de Raad van State te kunnen aanvragen.

De officiële tekst van het samenwerkingsakkoord is terug te vinden in de Wet van 1 april 2016 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 (B.S. 20 april 2016) en dit door de federale staat.

 

De overige instemmingen zijn terug te vinden in:

Wet van 1 april 2016, B.S. 20 april 2016 (federale instemming) 
Decreet van 14 april 2016, B.S. 22 april 2016 (Waalse instemming)
Decreet van 20 mei 2016, BS.. 30 mei 2016 (Vlaamse instemming)
Ordonnantie van 26 mei 2016, B.S. 10 juli 2016 (Brusselse instemming)

 

2. SEVESO I, II en III historiek

 

Een reeks van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in de recente geschiedenis, waarvan het Italiaanse Seveso (1976) en de giframp in het Indiase Bhopal (1984) de voorlopers waren, heeft ertoe geleid dat Europese wetgeving, gericht op het voorkomen van zware ongevallen bij industriële installaties met gevaarlijke stoffen, zich opdrong. Dit heeft zich vertaald in de Europese Seveso richtlijn, waarvan we op vandaag aan de Seveso III versie toe zijn.

 

De eerste Seveso richtlijn (Seveso I) werd goedgekeurd op 24 juni 1982 (Richtlijn 82/501/EEG). Naar aanleiding van een vervolg van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen werd in 1996 Seveso I vervangen door de zogenaamde Seveso II richtlijn (Richtlijn 96/82/EG). Ook de daaropvolgende jaren gebeurden nog enkele zware ongevallen waardoor Seveso II al snel werd aangepast (lees: niet vervangen) door de Richtlijn 2003/105/EG van 16 december 2003.

Door de noodzakelijke aanpassing van de categorieën gevaarlijke stoffen aan de CLP-verordening 1272/2008 maar evenzeer door een grondige evaluatie van Seveso II na meer dan 10 jaar, besliste Europa in 2012 om terug een nieuwe richtlijn uit te vaardigen, de Seveso III-richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU) ter vervanging van de Seveso II richtlijn.

 

Bij de publicatie van een Europese richtlijn, moeten de bepalingen omgezet worden in regelgeving binnen de lidstaten. In België wordt dit geregeld door middel van een samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de verschillende gewesten. Zo werd in der tijd de Seveso I richtlijn omgezet in het Samenwerkingsakkoord van 21/06/1999 (SWA1) en de Seveso II richtlijn in het voormalige SWA 2006 tot wijziging van SWA 1999 (SWA2).

Op vandaag is het SWA3 gesloten in uitvoering van de Europese Seveso III richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU).

 

3. Impact op de Seveso status

 

In principe is het zo dat ieder bedrijf dat gebruikt maakt van gevaarlijke stoffen, de Seveso aftoetsing zou moeten doen. In het kader van de nieuwe CLP-indeling en de uitbreiding van het toepassingsgebied binnen Seveso is deze aftoetsing zeker aan te raden.

 

De basis voor deze aftoetsing is de gevaarindeling die terug te vinden is in uw SDS’en (onder rubriek 2.1). In de praktijk komt men vaak tegen dat de ontvangen SDS nog niet volgens de recentste CLP-indeling ingedeeld is. Los van het feit of dit al dan niet in orde moest zijn door de leverancier, kan hiervoor het raadplegen van de geharmoniseerde indeling op de ECHA-website een oplossing bieden (http://echa.europa.eu/). De indeling die daar terug te vinden is, wordt beschouwd als de minimum-indeling. Let wel, deze geharmoniseerde indeling geldt enkel voor zuivere stoffen.

Bij het vaststellen van een verschillende indeling door diverse leveranciers, wordt aangeraden de strengste te hanteren (volgens het principe van goede huisvader).

 

Of men als bedrijf onder het toepassingsgebied van Seveso valt, hangt af of men al dan niet boven de Seveso drempels valt (inclusief rekening houdend met de sommatie regel en de uitzondering van de 2% regel = hoeveelheden die 2% of minder van de vermelde drempelwaarde in een inrichting aanwezig zijn, worden in de berekening buiten beschouwing gelaten). Deze drempelwaarden van aanwezige hoeveelheden gevaarlijke producten gaat men na door bijlage I (deel 1 en deel 2) van het SWA3 te consulteren.

Deel 1 zijn de bij categorie benoemde producten en worden ingedeeld op basis van de CLP-classificatie. Deel 2 zijn de bij naam genoemde gevaarlijke producten.

Voor hulp kan u de tool op de website van LNE raadplegen.

https://www.lne.be/themas/veiligheidsrapportage/inrichtingen/toetsing/volgens-seveso-iii

 

Door de nieuwe CLP-indeling, vallen bepaalde producten nu wel binnen de categorie-indeling wat voor sommige bedrijven leidt tot een verschuiving binnen het Seveso toepassingsgebied. Daarnaast worden bij de ‘bij categorie genoemde producten’ nieuwe categorieën toegevoegd en bij de ‘bij naamgenoemde’ komen 14 producten bij. Maar in essentie was het van Europa niet de bedoeling het toepassingsgebied te wijzigen/te vergroten.

 

De ‘bij categorie genoemde’ drempelwaarden zijn nu ingedeeld in 4 groepen: gezondheidsgevaren (rubriek H), fysische gevaren (rubriek P), milieu gevaren (rubriek E) en overige gevaren (rubriek O).

 

Belangrijkste wijzigingen vinden plaats binnen de gezondheidsgevaren (denk aan de zeer giftige T+ en giftige T volgens de oude indeling).

 

Het toepassingsgebied van de oude Seveso categorie 1 ‘zeer giftige’ (T+) met drempels 5/20 ton, is door de CLP-indeling teruggebracht naar enkel de cat. 1 acute toxische producten. Dat doet het toepassingsgebied voor de nieuwe Seveso categorie H1 ‘acute toxiciteit’ stoffen dalen.

Anderzijds vindt voor de nieuwe Seveso categorie H2 ‘acute toxiciteit’ met drempels 50/200 ton, een reductie plaats voor de orale en dermale blootstellingsroute (enkel cat.2 acute toxiciteit), maar een uitbreiding voor de inhalatie d.m.v. damp en gas (ook cat.3 acute toxiciteit) tegenover de oude Seveso categorie 2 ‘giftig’ (T).

 

Doordat nu ook de cat. 3 acute toxiciteit inhalatie d.m.v. damp mee in de Seveso toepassing is opgenomen, zijn daarbij aansluitend ook een aantal extra met naam benoemde stoffen opgenomen (nr. 42 t.e.m. nr. 48 van lijst 2 van bijlage 1 van het SWA3).

 

Naast een wijziging binnen de gezondheidsgevaren, zijn er ook een aantal veranderingen te noteren binnen de indeling van de fysische gevaren (rubriek P).

 

Doordat binnen CLP-indeling het vlampunt van 21°C naar 23°C en van 55°C naar 60°C verschuift, wijzigt ook het toepassingsgebied van de ontvlambare vloeistoffen (categorie P5 in deel 1 van bijlage I van SWA3). Daarnaast wordt het toepassingsgebied van P5a sterk uitgebreid door naast de cat 1, ook de cat 2 en cat 3 ontvlambare vloeistoffen bij bijzondere condities toe te voegen. Echter in de praktijk, komt dit uitgebreid toepassingsgebied weinig voor.

 

Tevens worden de ontvlambare aerosolen nu in een aparte categorie ingedeeld (categorie P3). Anders dan bij Seveso II-wetgeving waar beide fasen van het aerosol (drijfgas en eigenlijke product) apart werden beschouwd, moet nu de volledige netto-inhoud in rekening gebracht worden.

 

Voor de milieugevaren is het toepassingsgebied min of meer hetzelfde gebleven. Echter zijn met de jaren, producten meer en meer als milieugevaarlijk ingedeeld doordat extra rekening gehouden wordt met de ecotoxiciteitsfactor (M-factor) in kader van de CLP-indeling. Zo is het typisch voorbeeld van javel die gemakkelijk tussen de 5%-15% actieve chloor bevat ingedeeld wordt met de H-zin H400 en dus ook binnen de Seveso aftoetsing valt.

Een bedenking hierbij is of hierdoor de focus binnen Seveso niet te veel verlegd wordt van de initiële brand-, explosie- en toxiciteitsrisico’s naar de milieurisico’s.

 

4. Verplichtingen als Seveso-bedrijf

 

Wanneer uit de statusbepaling blijkt dat men Seveso-inrichting is, moet dit via de kennisgeving en het veiligheidsrapport aan de overheid gecommuniceerd worden (zie verder).

 

Sowieso moest men als Seveso-bedrijf, in het kader van de VLAREM-regelgeving, een document opstellen met een vertaalslag van de nieuwe CLP classificatie, en dit tegen uiterlijk 1 december 2015 aan LNE afdeling Milieuvergunningen (niet dienst Veiligheidsrapportering) overmaken. Men kon hiervoor (bij voorkeur) gebruikmaken van de daartoe door cel Veiligheidsrapportering ontwikkelde internet-toepassing ‘bepalen van de Seveso status’.

https://www.lne.be/themas/veiligheidsrapportage/inrichtingen/toetsing/internettoepassing

 

5. Kennisgeving

 

In het kader van het Samenwerkingsakkoord moeten zowel een lagedrempel-Seveso-inrichting als een hogedrempel-Seveso-inrichting een kennisgeving indienen bij de coördinerende dienst. Voor het Vlaamse Gewest is dit de dienst Veiligheidsrapportering (dienst VR) van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE).

Met dit document laat het Seveso-bedrijf aan de bevoegde overheden enerzijds weten dat het dusdanige hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen heeft, dat het bedrijf onder de toepassing van het Samenwerkingsakkoord valt. Anderzijds moet het bedrijf al haar beschikbare informatie meedelen over de onmiddellijke omgeving die een bron kunnen zijn van een risico op een zwaar ongeval of door eventueel domino-effect het risico kunnen doen vergroten.

 

Aan de hand van de kennisgeving zal de dienst VR de eventuele domino-effecten proberen in te schatten. Indien naar het inzicht van de dienst VR, het betrokken bedrijf domino-effecten kan veroorzaken bij nabijgelegen Seveso-inrichtingen, dan moeten de inrichtingen onderling informatie uitwisselen, zodanig dat ze hiermee in hun preventiebeleid van zware ongevallen, hun veiligheidsbeheersysteem, hun kennisgeving, hun veiligheidsrapport (indien van toepassing) en hun intern noodplan op passende wijze rekening kunnen houden.

 

In het kader van het nieuwe SWA3 is voorzien dat de exploitant van een dergelijke inrichting de vorige kennisgeving actualiseert uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord, dus in principe tegen uiterlijk 10 september 2016.

De inhoudelijke eisen van de kennisgeving zijn vergelijkbaar met deze onder het vorige samenwerkingsakkoord (SWA 2), met dien verstande dat er enerzijds overgeschakeld wordt naar de CLP-indelingen anderzijds meer  klemtoon wordt gelegd op het geven van informatie van alle naburige inrichtingen en eventuele andere gebieden en/of ontwikkelingen (meer dan de onmiddellijke omgeving). Dit laatste om zo mogelijke bronnen te identificeren die een risico op een zwaar ongeval of eventueel domino-effect kunnen doen vergroten.

 

De actualisatie van de kennisgeving omdat dus minstens een aangepast overzicht van gevaarlijke stoffen volgens bijlage 1 van het nieuwe samenwerkingsakkoord (inventaris gevaarlijke stoffen) nodig is (lees hierboven deel ‘Impact op de Seveso status’). Voor de overige delen van de kennisgeving wordt verwacht dat de exploitant nagaat of de gegevens nog actueel zijn.

Indien de exploitant van mening is dat de reeds eerder ingediende kennisgeving nog voldoende actuele gegevens bevat, dan dient hij (enkel) de geactualiseerde inventaris gevaarlijke stoffen in. In dat geval bevestigt de exploitant bij indienen van de inventaris expliciet dat de overige informatie uit zijn meest recente kennisgeving nog voldoende actueel is. Deze inventaris wordt elektronisch aangeleverd bij de dienst Veiligheidsrapportering, bij voorkeur gebruikmakend van de daartoe ontwikkelde internet-toepassing ‘bepalen van de Seveso status’.

https://www.lne.be/themas/veiligheidsrapportage/inrichtingen/toetsing/internettoepassing

Opmerking:

Aangezien het SWA3-veiligheidsrapport reeds tegen uiterlijk 1 juni 2016 ingediend moest worden waar ook de CLP indeling in vervat zit (lees verder), zal de kennisgeving louter in kader van de CLP conversie, vroegtijdig ingediend moeten worden (en niet gewacht kunnen worden tot uiterlijk 10 september 2016).

 

Voor het opstellen van de kennisgeving wordt verwezen naar de ‘leidraad kennisgeving’, raadpleegbaar op de website van de dienst Veiligheidsrapportering.

https://www.lne.be/themas/veiligheidsrapportage/rlbvr/bestanden-rlbvr/vr_leidraad_kennisgeving.

Deze publicatie vervangt het vroegere document “handleiding voor het opstellen van een kennisgeving” uit 2013. De structuur en de werkwijze voor het opstellen van de kennisgeving die in deze leidraad wordt vooropgesteld wordt ten zeerste aangeraden, maar zijn niet verplicht. De inrichtingen kunnen de gevraagde informatie dus altijd op een andere manier beschrijven.

 

De exploitant dient zijn geactualiseerde kennisgeving in bij de dienst Veiligheidsrapportering in elektronische vorm via seveso@vlaanderen.be.

Indien een Seveso-inrichting door de overgang naar het nieuwe samenwerkingsakkoord niet meer onderworpen zou zijn, wordt aanbevolen dit eveneens binnen deze termijn van drie maanden te melden aan de dienst Veiligheidsrapportering.

 

6. Veiligheidsrapport

 

In het kader van het Samenwerkingsakkoord moet een hogedrempelinrichting een veiligheidsrapport (het SWA-veiligheidsrapport of SWA-VR) indienen bij de coördinerende dienst (in het Vlaamse Gewest is dit de dienst Veiligheidsrapportering).

Met het SWA-veiligheidsrapport toont de exploitant van de hogedrempelinrichting o.a. aan dat hij de installaties (met gevaarlijke stoffen) op een veilige manier uitbaat, en dat hij de risico's die verbonden zijn aan de aanwezigheid en het gebruik van gevaarlijke stoffen kent en beheerst. Elk SWA-veiligheidsrapport moet herzien worden na een zwaar ongeval in de inrichting, minstens om de 5 jaar, en telkens indien daar andere redenen toe zijn, zoals op vraag van de dienst Veiligheidsrapportering.

 

Bijlage 3 van het SWA3 somt de punten op die zeker moeten voorkomen in het veiligheidsrapport. De inhoud van het rapport is tegenover SWA2 beperkt gewijzigd. Naast de CLP vertaalslag wordt er voornamelijk naar meer info over externe risico’s en domino-effecten gevraagd en de risico’s op natuurrampen (= Natech analyse (= Analysis of Natural Hazard Triggering Technological Disasters)) waaronder o.a. aardbeving, overstroming, blikseminslag, stroompanne ed. moeten nu mee beoordeeld worden en geïntegreerd worden in het preventiebeleid. Om de exploitant te ondersteunen bij het opstellen van zijn SWA-veiligheidsrapport, werd door de dienst VR een geactualiseerde leidraad opgesteld. Deze is ook te consulteren op de website van de dienst Veiligheidsrapportering:

https://www.lne.be/themas/veiligheidsrapportage/rapportages/swa3/swa-vr/leidraad-swa-vr

Voor een bestaande hogedrempelinrichting moest het oude SWA-veiligheidsrapport reeds geactualiseerd zijn tegen 1 juni 2016. Deze verplichting geldt echter niet indien het SWA-veiligheidsrapport voldeed aan de eisen die SWA 3 (bijlage 3) stelt aan een veiligheidsrapport en indien de informatie nog actueel is.

 

Rekening houdend met de lopende beoordelingsprocedures en de vijfjaarlijkse cyclus onder SWA2, betekent dit dat exploitanten, wiens SWA2-veiligheidsrapport een revisie- of aanpassingsdatum heeft na 1 juni 2016, in de plaats van het volledig herzien van het veiligheidsrapport conform de Seveso III-eisen tegen uiterlijk 1 juni 2016 waarbij een nieuwe cyclus van vijfjaarlijkse herziening start, kon opteren tot het enkel actualiseren aan CLP tegen uiterlijk 1 juni 2016 en een volledige herziening van het veiligheidsrapport tegen de effectieve SWA2 revisiedatum. Indien bij de overgang naar CLP nieuwe gevarencategorieën van toepassing waren of gevaarlijke stoffen bijkwamen die niet vervat zaten in de risico-evaluatie van het SWA2-VR, moest het bestaande rapport aangevuld zijn tegen uiterlijk 1 juni 2016.

Een SWA2-veiligheidsrapport met een revisie- of aanpassingsdatum vóór 1 juni 2016, moest volledig herzien worden conform de SWA3-eisen tegen uiterlijk 1 juni 2016.

Het veiligheidsrapport of de aanvullingen worden ingediend bij de dienst Veiligheidsrapportering in 1 papieren en 1 elektronisch exemplaar (via seveso@vlaanderen.be).

 

7. Intern noodplan voor iedere inrichting

 

Waar vroeger de verplichting tot het uitwerken van een intern noodplan vooral de focus lag bij de hogedrempelinrichtingen, is dat op vandaag vanuit diverse andere wetgeving verplicht voor ieder bedrijf. SWA3 geeft evenwel in bijlage 4 aan welke de minimuminformatie is die vervat moet zitten in het intern noodplan van een hogedrempelinrichting. Deze is zo goed als ongewijzigd t.o.v. SWA2.

 

8. Preventiebeleid en veiligheidsbeheersysteem (VBS)

 

In het kader van het SWA3 moeten naast de hogedrempelinrichtingen ook de lagedrempelinrichtingen een document ‘Preventiebeleid voor zware ongevallen’ opstellen. In dit document zet de exploitant het preventiebeleid voor zware ongevallen uiteen, alsmede de wijze waarop dit in de praktijk wordt gebracht.

 

Uiteraard moet het preventiebeleid zelf meer zijn dan een schriftelijk document alleen. De exploitant moet alle (veiligheids)maatregelen die nodig zijn, ook effectief nemen en uitvoeren. Hierbij gaat het niet alleen om technische maatregelen, maar ook om organisatorische en beleidsmatige maatregelen. Het preventiebeleid maakt immers deel uit van het algemeen bedrijfsbeleid.

 

Het document Preventiebeleid moet niet worden opgestuurd, maar moet op de exploitatiezetel ter beschikking liggen van de inspectiediensten.

 

De exploitant die al een document Preventiebeleid heeft opgemaakt onder SWA2, hoeft dit niet opnieuw te doen voor zover de informatie in dit document beantwoordt aan de vereisten van SWA3.

 

Voor de uitvoering van het preventiebeleid is iedere hogedrempelinrichting verplicht om een veiligheidsbeheersysteem (VBS) in haar organisatie te implementeren en uit te schrijven. De beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem maakt namelijk deel uit van het SWA-veiligheidsrapport dat de exploitant moet indienen.

De inhoud van de minimumvereisten is terug te vinden in bijlage 2 van het SWA3 en is beperkt gewijzigd tegenover SWA2. De belangrijkste accenten in het kader van SWA3 zijn o.a. dat de in onderaanneming verrichte activiteiten zeker ook opgenomen moeten worden in de risicobeoordeling, evenals de risico’s van verouderde apparatuur en mogelijke corrosievorming en dat gehandeld wordt volgens ‘best practice’. Het blijft vooral belangrijk dat de implementatie van het veiligheidsbeheersysteem zo goed als mogelijk afgestemd is op de aard van de activiteiten en de complexiteit van het bedrijf.

 

9. Actieve informatieverstrekking publiek

 

Met het SWA3 moet de overheid over zowel lagedrempel- als hogedrempelinrichtingen op een permanente en elektronische wijze aan het publiek informatie beschikbaar stellen (online databank). Deze informatie is gebaseerd op de gegevens uit de kennisgeving. De aard van de informatie is vervat in bijlage 6 van SWA3 en is zo goed als onveranderd als bij SWA2. Het gaat ondermeer over een vereenvoudigde inventaris van de aanwezige stoffen, datum van laatste inspectiebezoek en waar meer informatie op te vragen over het betreffende inspectierapport, ed.

Bij zware ongevallen bij de hogedrempelinrichtingen is de overheid verplicht om, het potentieel betrokken publiek te informeren over wat er gebeurd is en welke maatregelen getroffen werden. De 5 jaarlijkse publieke Seveso campagnes bij de hogedrempelinrichtingen blijven ook onveranderd bestaan.

 

10. Overgangsbepalingen

 

Het nieuwe samenwerkingsakkoord heeft voor een aantal verplichtingen (kennisgeving, SWA-veiligheidsrapport, intern noodplan, informatie voor extern noodplan) een uitvoeringstermijn vastgelegd afhankelijk van het type bedrijf (‘bestaand’, ‘ander’, ‘nieuw’).

Een inrichting die onderworpen was aan het oude samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 (SWA2) is bij de inwerkingtreding van het nieuwe samenwerkingsakkoord (SWA3) een “bestaande inrichting” (Seveso-status blijft ongewijzigd) of een “andere inrichting” (Seveso-status wijzigt). Een inrichting die start na de inwerkingtreding van het nieuwe SWA3 is bijgevolg een nieuwe inrichting.

 

De exploitant moet de kennisgeving of geactualiseerde kennisgeving, voortaan indienen:

voor een nieuwe inrichting: ten laatste 4 maanden voor de inbedrijfstelling of belangrijke wijziging;
voor een bestaande inrichting: ten laatste 3 maanden na de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord, met andere woorden tegen uiterlijk 10 september 2016;
voor een andere inrichting: ten laatste 3 maanden na de datum waarop de inrichting, een ‘andere inrichting’ wordt.

 

Er moet geen geactualiseerde kennisgeving verstuurd worden binnen het kader van het nieuwe samenwerkingsakkoord als de kennisgeving volgens de regels van het vorige samenwerkingsakkoord al alle vereiste informatie bevatte, en die gegevens nog altijd correct zijn.

De exploitant moet een SWA-veiligheidsrapport of geactualiseerde veiligheidsrapport in kader van het SWA3, voortaan indienen:

voor een nieuwe inrichting: ten laatste 3 maanden voor de inbedrijfstelling of belangrijke wijziging;
voor een bestaande inrichting: ten laatste tegen uiterlijk 1 juni 2016;
voor een andere inrichting: ten laatste 2 jaar na de datum waarop de inrichting, een ‘andere inrichting’ wordt.

 

Er moet ook geen geactualiseerd SWA-veiligheidsrapport verstuurd worden binnen het kader van het nieuwe samenwerkingsakkoord als het veiligheidsrapport volgens de regels van het vorige samenwerkingsakkoord al alle vereiste informatie bevatte, en die gegevens nog altijd correct zijn.

 

RELEVANTE INFO – LNE

https://www.lne.be/themas/veiligheidsrapportage

← Terug naar overzicht